Phaeton

Phaeton-handleiding

Laadpaal configureren

Kies de laadpaalintegratie, vul de verbindingsgegevens in en controleer de communicatie voordat je gaat laden.

Geschikte laadpalen

Elke ondersteunde laadpaal heeft een eigen integratie in Phaeton. Selecteer de integratie voor jouw model en volg de Checklist laadpaalinstellingen voor de vereisten aan de laadpaalkant.

Controleer vóór aankoop je exacte model, verbindingsvereisten en beschikbare functies op de pagina Ondersteunde laadpalen.

Verbinding controleren

Gebruik eerst de Checklist laadpaalinstellingen in deze handleiding voordat je de drempels van Auto onderzoekt.

  • Controleer of de laadpaal online is.
  • Schakel de externe besturingsinterface in: Modbus TCP, lokale HTTP of toegang via de fabrikantcloud, afhankelijk van de integratie.
  • Vul het lokale laadpaaladres of het vereiste cloudaccount en de laadpaalidentificatie in.
  • Voer de verbindingstest voor de laadpaal uit voordat je opslaat.
  • Voer waar beschikbaar Test charger control uit om te controleren of de laadpaal de stroominstelling van Phaeton verwerkt.

Instellingen van de integratie

Kies de integratie onder Settings, vervolgens Charger & installation. Alleen de verbindingsvelden voor die integratie verschijnen. De app heeft geen editor voor eigen registers of profielen.

Afhankelijk van de integratie vul je het IP-adres en de TCP-poort van de laadpaal in, het lokale HTTP-adres, of het cloudaccount met de UUID of het serienummer van de laadpaal. Bij een laadpaal met twee aansluitpunten kies je ook het aansluitpunt, 1 of 2. Bij de meeste integraties staan Request timeout (ms) en Maximum reading age (ms) onder Advanced; laat ze op de standaardwaarde staan, tenzij support vraagt ze te wijzigen.

Een gewijzigde integratie of verbinding gaat in zodra je die toepast, zonder herstart. Alleen wisselen tussen de dummy-integratie en een echte laadpaal herstart Phaeton.

Verbinding testen

Voer de test uit onder Settings → Charger & installation voordat je de instellingen toepast. De test gebruikt de ingevulde waarden, ook als je ze nog niet hebt toegepast.

  • Test charger API leest de laadpaal uit en toont de productnaam, het serienummer en de firmware, voor zover de laadpaal die meldt.
  • Waar de integratie ze aanbiedt, leest Test charger connection de laadpaal uit, en schrijft Test charger control de huidige stroominstelling opnieuw en controleert hoe de laadpaal die verwerkt. Test charger control is de enige test die naar de laadpaal schrijft.

Mislukt een test?

  • Controleer het IP-adres of HTTP-adres van de laadpaal, of het cloudaccount en de laadpaalidentificatie.
  • Controleer of de besturingsinterface van de laadpaal is ingeschakeld: Modbus TCP, lokale HTTP of cloudtoegang.
  • Controleer de poort. Bij Modbus TCP is dat meestal 502.
  • Controleer of de laadpaal en Phaeton op hetzelfde netwerk zitten en of geen firewall de verbinding ertussen blokkeert.
  • Controleer bij een cloudintegratie of het apparaat waarop Phaeton draait internettoegang heeft.

Rondt Test charger control af, maar meldt de test dat de stroominstelling niet wordt verwerkt? Dan is de laadpaal bereikbaar, maar accepteert hij Phaeton niet als energiemanagementsysteem. Controleer de instellingen voor externe besturing met de Checklist laadpaalinstellingen.

Laadstroomlimieten

Stel de limieten van je installatie in onder Settings → Charger & installation → Charging limits.

  • Charging limit (A) is de hoogste stroom die Phaeton in elke modus vraagt: Manual, Auto, Scheduled en terwijl de Victron GX Auto aanstuurt. De laagste van deze limiet en het maximum van de laadpaal zelf geldt, ook als Auto de minimale laadstroom aanhoudt.
  • Settings weigert een Charging limit boven Station max current (A) of boven wat de gekozen laadpaalintegratie accepteert (32 A bij de integraties met een opgegeven bereik), zodat een typefout de limiet niet kan verhogen. Een hogere waarde van eerder blijft door die maxima begrensd; Settings markeert die en vraagt om een waarde binnen de limiet voordat het wijzigingen in Settings toepast.
  • Single-phase only houdt elke modus op één fase; zie Alleen één fase.
  • Onder Advanced is Min set current (A) de stroom waarmee Auto begint en waar het nooit onder gaat; de GX leest die als de minimale laadstroom van de laadpaal. Station max current (A) geldt totdat de laadpaal zijn eigen maximum meldt.

Een lagere limiet gaat in bij de volgende regelcyclus. Auto stopt het laden als de limiet van de laadpaal onder de minimale laadstroom zakt. De stroominstelling op de pagina Charging blijft binnen deze limieten.

Autorisatie op de laadpaal

Phaeton vervangt geen RFID-pas of autorisatie via een app op de laadpaal. Wacht de laadpaal op een pas of app voordat hij laden toestaat, dan toont de pagina Charging Waiting for authorization en meldt de GX dat de laadpaal op RFID wacht.

Phaeton proberen zonder laadpaal

Kies Dummy — no license required als integratie om Phaeton te proberen zonder laadpaal of licentie. Deze integratie bootst een laadpaal na waarvan vermogen en energie op nul blijven. Op de pagina Charging wijzig je de nagebootste verbinding, en de GX en VRM tonen hem als Phaeton demo (zero load).

Kies je later een echte laadpaalintegratie, dan herstart Phaeton en controleert het de licentie.

Volgende stappen

Support voor klanten · Stel een vraag vóór aankoop